"fixeren" - odmiana czasownika - niderlandzki

Conjugation of have (Export PDF)

niderlandzki"fixeren" - odmiana czasownika

infinitief
niderlandzki
  • fixeren
onvoltooid verleden tijd
niderlandzki
  • fixeerde
voltooid deelwoord
niderlandzki
  • gefixeerd

Aantonende wijs

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)

ik
fixeer
jij/u (je)
fixeert
hij/zij/het
fixeert
wij (we)
fixeren
jullie
fixeren
zij (ze)
fixeren

voltooid tegenwoordige tijd (vtt)

ik
heb gefixeerd
jij/u (je)
hebt gefixeerd
hij/zij/het
heeft gefixeerd
wij (we)
hebben gefixeerd
jullie
hebben gefixeerd
zij (ze)
hebben gefixeerd

onvoltooid verleden tijd (ovt)

ik
fixeerde
jij/u (je)
fixeerde
hij/zij/het
fixeerde
wij (we)
fixeerden
jullie
fixeerden
zij (ze)
fixeerden

voltooid verleden tijd (vvt)

ik
had gefixeerd
jij/u (je)
had gefixeerd
hij/zij/het
had gefixeerd
wij (we)
hadden gefixeerd
jullie
hadden gefixeerd
zij (ze)
hadden gefixeerd

onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)

ik
zal fixeren
jij/u (je)
zult fixeren
hij/zij/het
zal fixeren
wij (we)
zullen fixeren
jullie
zullen fixeren
zij (ze)
zullen fixeren

voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)

ik
zal gefixeerd hebben
jij/u (je)
zult gefixeerd hebben
hij/zij/het
zal gefixeerd hebben
wij (we)
zullen gefixeerd hebben
jullie
zullen gefixeerd hebben
zij (ze)
zullen gefixeerd hebben

Wyszukaj najczęściej używane czasowniki w języku niderlandzkim.